Leermomenten uit mijn vergaderpraktijk

7. feb, 2021

We kennen allemaal wel het Griekse verhaal van het Paard van Troje. Het paard was een list van Odysseus. De Grieken belegerden de stad Troje, maar wisten geen bres in de verdediging te slaan. Ze bouwen een groot, houten paard en verstopten er soldaten in. Eenmaal binnen de muren sloegen ze toe. De Nederlandse variant, vele jaren later, was het Turfschip van Breda.

De uitvoering van het klimaatbeleid stuit op meerdere plaatsen op grote weerstand. Er zijn bedrijfstakken die hun commerciële belang bedreigd zien, hun werkgelegenheid, de aandeelhouderswaarde en zelfs hun reden van bestaan.

Er staat veel op het spel. Er is veel te verliezen. Er zijn (op de achtergrond) nog steeds mensen die niet erkennen dat er zoiets als een man made klimaatverandering bestaat. Deze lieden laten zich natuurlijk niet als makke lammeren naar de slachtbank leiden. Meestal is het tableau overzichtelijk en zie je deze types niet snel over het hoofd. Het zijn in meerderheid witte mannen in de leeftijd van 50-65 jaar met een industriële achtergrond en een leesbril.

Er zijn ook Trojaanse paarden.

Trojaanse paarden zien er heel anders uit. Ze zijn vriendelijk, deskundig en dienstbereid. Ergens in hun loopbaan hebben ze hun groene vingers laten zien. Ze waren ambtenaar of onderzoeker. Toen de kinderen wat groter en duurder werden en de hypotheek op het huis zwaarder ging drukken, werd de overstap naar het bedrijfsleven aantrekkelijk. Het voordeel voor het bedrijfsleven bestaat uit twee elementen: de nieuwe medewerker zal zich niet meer ongecontroleerd te buiten gaan aan 'groen' onderzoek en de buitenwereld ziet het vriendelijke gezicht van een nieuwe medewerker met een groen verleden.

Hoe gaan Trojaanse paarden te werk?

Ze zijn goedlachs en toegankelijk. Ze zijn als belangenbehartiger bereid om veel kennis met je te delen. Dat wil zeggen: bestaande kennis, die je met een kleine inspanning ook zelf op het internet had kunnen vinden. Desgevraagd gaan ze nog een paar stapjes verder. Ze lijken op alle vragen een pasklaar antwoord te hebben. Dat maakt ze voor jou extra interessant. Als je je die kennis eenmaal eigen hebt gemaakt, komen de complimentjes. Je gaat je gewaardeerd en afhankelijk voelen door iemand waarvan je altijd dacht dat het een tegenstander was. Maar dan komen de vragen terug en de onzekerheden. Wat zijn de consequenties van de uitvoering? Wat betekent dit voor de praktijk? Hoe gaan we dit handhaven? Hoe zit het met zus en met zo? Wie is waarvoor verantwoordelijk? Daar had je nog niet zo over nagedacht. Lastige vragen! Voor je het weet, wordt je overstelpt met meer vragen dan je kunt beantwoorden. Jij moet die vragen beantwoorden. Dat zal tijd kosten. Als je pech hebt ook met een aantal irrelevante vragen, maar dat heb je nog niet door.

Wat is het doel van de omkering van de vragen?

In veel gevallen is dat bewust verwarring en verdeeldheid zaaien en tijd rekken. Een sector die zich bedreigd voelt, heeft meer tijd nodig om zich aan te passen en wil meer zekerheden. In het slechtste geval is het de bedoeling dat het dossier helemaal strandt. Er zijn talloze voorbeelden van complexe beleidsdossiers en normalisatieprojecten die totaal uit de planning en het roer lopen door de infiltratie van zogenaamde Trojaanse paarden. Als de Trojaanse paarden hun kennis aanwenden met het oogmerk om de boel te vertragen, betekent dit dat de einddatum (en de kosten) met een factor twee wordt overschreden. Als ze hun kennis zouden gebruiken om het proces te versnellen, zou het dossier ruim binnen de tijd kunnen worden afgerond. Maar daar worden ze niet voor betaald.

Een van de dossiers waar Trojaanse paarden zijn binnengeslopen, is het materiaalgebonden milieuprofiel van gebouwen. Dat dossier sleept al bijna 20 jaar, wat absoluut niet nodig was geweest wanneer de overheid slagvaardig en doortastend was opgetreden. Maar daarvoor ontbreekt het de overheid aan inhoudelijke kennis en besluitvaardigheid. En aan de vaardigheid om Trojaanse paarden te herkennen...

Hoe loopt het af met Trojaanse paarden?

Het kan op een bepaald moment in je loopbaan aantrekkelijk lijken om de overstap te maken naar een goed betaalde baan bij een 'sunset industry'. Voor belangenbehartigers is daar genoeg te doen, al is het maar in conserverende zin. De list met het Trojaanse paard kan je maar een keer toepassen. Daarna is iedereen alert. Op de list, maar ook op jouw persoon. Dat zal niet bijdragen aan je verdere loopbaan. Het is misschien beter dat je daar op tijd over nadenkt. Je pensioen is immers best nog ver weg....

 

22. jan, 2021

 

NRC Handelsblad haakte donderdag 21 januari 2021 in op een discussie die in alle hevigheid in de (sociale) media heerst. Is bouwen met hout zo duurzaam als de sector stelt? En benadeelt de norm het gebruik van hout? De discussie heeft menigmaal het karakter van moddergooien op Olympisch niveau.

 

Iedereen die de moeite neemt om even naar mijn track record op LinkedIn te kijken, kan weten dat ik het grootste deel van mijn werkzame leven belangenbehartiger voor de (Nederlandse en Europese) cement- en betonindustrie was. Mijn hart zal dus wel in het beton liggen. Maar daar wil ik het hier niet over hebben.

Ik kan een steen in de vijver gooien door te stellen dat de houtsector zich een hoog Calimerogehalte aanmeet. Of te wijzen op de betonsector die arrogantie en inertie tentoonspreidt. Dat is olie op het vuur en bovendien oninteressant.

Links en rechts wordt er van alles geroepen. Slechts weinigen weten hoe het echt zit. Ik ben vanaf 2004 een aantal jaren lid en zelfs voorzitter geweest van Nederlandse en Europese normcommissies die zich met het milieugebonden milieuprofiel van gebouwen bezig hebben gehouden. Ik ben dus ooggetuige. Maar zelfs daarover zult u mij niets spannends zien vertellen.

Wat opvalt in de diverse bijdragen is dat de scribenten het verschil in verantwoordelijkheden bij een bepalingsmethode, een norm en een grenswaarde niet lijken te kennen. En geen idee hebben hoe de besluitvorming in de (inter)nationale arena over dit soort onderwerpen geschiedt. Over de toepasselijke procedures is echt heel goed nagedacht. En niet sinds vandaag of gisteren.

Een bepalingsmethode is in de regel het hart van een norm. De methode komt voornamelijk tot stand op basis van wetenschappelijke consensus. Als belangenbehartiger kan je op je kop gaan staan, als je niets beters hebt, zal je het er mee moeten doen. In een norm zitten nog allerlei andere teksten, zoals definities, toepassing en geldigheidsbereik. Over een Europese norm wordt gestemd door de nationale normcommissies. Europese brancheorganisaties hebben de status van waarnemer. Ze mogen wel iets zeggen, maar niet stemmen. Dat is anders bij nationale normcommissies. Daar kunnen belanghebbenden een stoeltje, met stemrecht, kopen. Je koopt precies een stem. Daarmee bepaal je nooit de uitkomst van de stemming. Dit is maar een klein deel van de kosten. De tijdsbesteding in uren is de echte investering. Je moet toevallig maar werken bij een branche die iets ziet in het werk van de betreffende normcie. De staal- en betonindustrie heb ik nimmer kunnen betrappen op een meer dan gemiddelde belangstelling. De Europese koepels van de staal- en betonindustrie bestaan uit een man en een halve paardenkop, die onmogelijk alle vergaderingen van Europese normcommissie kunnen afreizen, zelfs niet als die in Brussel worden gehouden.

De overheid houdt zich verre van normalisatiewerk. Dat laat zij met liefde aan de markt over. Ingrijpen in het resultaat van normalisatiewerkzaamheden doet de overheid niet. Kan ze ook niet. Het zou de bijl aan de wortel van het normalisatiewerk zijn. Sowieso heeft de rijksoverheid nauwelijks capaciteit meer voor en kennis van het normalisatiegebeuren.

Nadat de bepalingsmethode en de norm zijn vastgesteld, komt de overheid aan bod. Die heeft namelijk de bevoegdheid om een wettelijke grenswaarde aan de prestatie-eis te stellen. En aan te scherpen als dat zij dat nodig acht. Daar gaat de normcommissie weer niet over. 

Ga niet aan mij vragen wat ik van het al dan niet benadelen van hout in de norm vind. Ik daar een mening over, maar die is irrelevant. Maar als u aan mij vraagt, wat de debatterende partijen als eerste moeten doen, dan heb ik wel een helder antwoord: verdiep u eerst in de spelregels voordat u aan het spel gaat meedoen. Doet u dat niet, dan bent u bezig met een partijtje vrij worstelen. Dat eindigt met bloedvergieten. Daar is niemand bij gebaat.

 

 
27. nov, 2020

Afgelopen week liet iemand in mijn omgeving het begrip ‘sunset industry’ vallen. Ik had er nooit van gehoord, maar de betekenis was me wel in een klap duidelijk: het zijn bedrijven die met een verouderde techniek of business model zitten en geen plaats meer hebben in de moderne tijd.

Voorbeelden van uitlopende producten: stoomboten, gloeilampen, cassettebandjes en langspeelplaten, dieselauto’s en tweetakt scooters, bruinkoolwinning en kolengestookte elektriciteitscentrales.

Je kunt je afvragen of de oliewinning en de kunstmest-, staal- en cementproductie daar in brede zin op langere termijn ook niet toe gaan behoren. Vandaag is nog geen sprake van kwantitatieve afbouw, wel van relocatie. De relocatie zal zeker doorzetten. De fracking industry in Canada en de VS ligt al wel aardig op zijn gat.

In de marketingliteratuur heet dat: einde productlevenscyclus. Veel aandacht wordt daar verder niet aan besteed. Je houdt namelijk op met geld verdienen en komt in allerlei vervelende juridische en sociale problemen terecht. Geen domein van marketeers. Regeringen willen in zo een situatie nog wel eens te hulp schieten. Bij strategische bedrijfstakken die van nationaal belang zijn, wordt er al dan niet verkapte staatssteun uitgedeeld om de levensduur nog wat te verlengen en de sociale gevolgen te verzachten. Wat van de EU geen staatssteun mag heten, wordt onder de titel innovatiesubsidie uitgekeerd. Maar wat valt er te innoveren in een uitlopende bedrijfstak? Op een dag eindigt ook dat spoor. Geen steun van de overheid meer voor de kolenwinning en de kwakkelende vliegtuig- of scheepsbouwer.

De meeste bedrijven zijn niet van strategisch belang. Zo kon het gebeuren dat een groot deel van de maakindustrie naar het (Verre) Oosten verkaste, de textielindustrie voorop, de electronica en de automotive sector zeker niet als laatste. De staat heeft meer tools in haar gereedschapskist dan noodsteun. Ze kunnen helpen met een belastingvoordeel, met tech-subsidies, soepele (of strenge) vergunningsvoorwaarden. Dit alles kan nooit verhinderen dat er sunset industries zijn en zullen blijven.

In de Bondsrepubliek wordt de bruinkoolwinning langzaam maar wel dwingend uitgefaseerd. Het zelfde zal de Poolse kolenwinning overkomen. Dat doet pijn. Elke Zuid-Limburger weet dat. De kapitaalintensieve kolen-, olie- en kerncentrales kunnen/moeten financieel worden uitgekocht. De gevolgen voor de werkgelegenheid zijn beperkt. De leveringszekerheid van de duurzame energiebronnen is nog wel een dingetje. In de olie-industrie zijn de eerste gevolgen van de decarbonisatie al voelbaar. In de Europese cementindustrie ligt fase 1 vandaag geheel achter ons. Daarvan heeft maar weinig de (inter)nationale pers gehaald. Het zal hier niet bij blijven. Er zal een grote relocatie gaan komen van de zware industrie naar streken en landen waar de opwekking van energie op een geheel andere manier plaats gaat vinden. Het is niet meer belangrijk waar de afnemer zit of de grondstoffen, maar de bron van duurzame energie.

Onder druk van politieke doelen zal er een energietransitie moeten worden gerealiseerd. Niet het business model of de technologie is uitlopend, maar het maatschappelijk speelveld verandert. Tal van transitiemanagers laten nu van zich horen. Ze kunnen je precies vertellen hoe je de gewenste, nieuwe realiteit kunt bereiken. Waar je ze veel minder over hoort, is hoe je netjes van de oude af kunt komen. Praten over winst is makkelijker en aantrekkelijker dan over verlies.

Ik heb persoonlijk ervaren wat het betekent om voor een sunset industry te werken. Het moederconcern had weinig ervaring met het stilleggen van fabrieken. ENCI in Maastricht was een van de eerste. Laten we hopen dat ze er lering uit hebben getrokken. Ik steek mijn handen daarvoor niet in het vuur. Als je al geen exit-gesprekken houdt.... Eerlijk gezegd ken ik geen voorbeelden van bedrijfstakken die voorspelbaar het loodje gingen leggen waarbij de sociale problemen (vroeg)tijdig zijn herkend, erkend en opgelost. Het begint er al mee dat dit soort bedrijfstakken weinig jonge mensen aanneemt. Als groep vergrijzen de werknemers. Omdat dat over de hele breedte gebeurt, is overstappen naar een concurrent niet aan de orde. Discriminatie op leeftijd doet de rest. Recruiters kijken eerst en vooral naar het cv, wat mensen gedaan hebben, niet naar wat ze (zouden) kunnen. Dit is dus geen begaanbare weg. Je zult het moeten hebben van je connecties en bekendheid buiten je eigen branche. Dat is al weer zo’n kenmerk van een sunset industry: veel mensen zijn erg intern gericht, als was het maar vanwege de grote omvang van het bedrijf. Mensen met opleidingen en taken die niet specifiek zijn voor het product of proces komen dan vaak nog het makkelijkste weg. Voor hen is branche-specifieke ervaring zelden een vereiste.

Met de energietransitie en de circulaire economie in het vooruitzicht wordt het hoog tijd om een nationaal masterplan te maken ‘wat doen we met het personeel van ‘sunset industries’?' In de regel zijn dat geen mensen (voornamelijk mannen) met hoorntjes.

Ik heb nog geen HRM-er gesproken die hierover behoorlijk heeft nagedacht. Blijkbaar gaat de energietransitie helemaal aan ze voorbij en lopen ze achter de feiten aan. Straks komen we weer mensen tekort voor de nieuwe economie. Regeren is vooruitzien! Vaak meer dan een kabinetsperiode!

25. sep, 2020

Met hoeveel mensen kan je vergaderen? Het minimum ljkt me drie of vier. Het maximum? Bij partijcongressen, conventies en grote internationale conferenties beloopt het aantal deelnemers soms in de duizenden. Kan je dan nog spreken over vergaderen? Strikt genomen wel, want er wordt informatie uitgewisseld, er worden besluiten genomen en er worden afspraken gemaakt. Vanzelfsprekend moet de interactievorm wel worden afgestemd op de omvang van de (sub)groepen.

Een kwaliteitsindicator voor een vergadering is niet zozeer het aantal deelnemers alswel de vraag of dat aantal groeit of afneemt. Als het met de tijd afneemt, zit je waarschijnlijk op de verkeerde weg. Neemt het toe en dragen mensen echt bij dan doe je het goed. Het is niet veel anders dan met de keuzevakken op school of in de studie.  

Vrijwel altijd mag ik mij als voorzitter verheugen op een toenemend aantal deelnemers. Gisteravond waren we met 15 mensen aanwezig. Geen enkele afmelding. Waar die vergadering over ging? Dat verneemt u over enkele maanden .... 

 

3. mei, 2020

Terugkijkend op 35 jaar ervaring met vergaderingen kan ik een genuanceerde balans opmaken.

Vergaderingen zijn onontkoombaar in de moderne overlegeconomie. En zelfs daarbuiten wordt er flink vergaderd. Ik ben er zeker van dat ook verlichte despoten zoals Bolsenaro, Erdogan en Poetin heel wat uren in vergadering zitten. Ongetwijfeld zal het er anders toegaan dan onder de Duitse Bondskanselier of premier van Nieuw-Zeeland, maar vergaderen doen ze. Of je nu aan de kop van de tafel zit of ergens achteraan, frustratie en blijheid zullen je deel zijn.

Lang niet altijd kan je zelf iets veranderen aan de manier waarop er wordt vergaderd. Machteloosheid is een van de meest demotiverende zaken die een medewerker kan overkomen. Het kan dus helemaal geen kwaad om aan het eind van de rondvraag, als voorzitter, eens in de groep te gooien ‘wat kunnen we de volgende keer beter doen?‘ Als u bang bent voor het antwoord, vraag het dan eerst uw secretaris of persoonlijk assistent. Onder vier ogen. Wel zo veilig …

Persoonlijk kan ik intens genieten van een goede vergadering, op de zelfde manier waarop ik blij word van een lekker glas boerenkarnemelk. Ik ben ook wel eens demonstratief weggelopen uit een vergadering omdat het werkelijk zonde van ieders tijd was. Daartussen zitten vijftig tinten grijs. Gemiddeld genomen werd ik er niet heel blij of boos van. Het was meestal de voorzitter die het verschil maakte. Was die in staat om van het geheel meer te maken dan de som der delen dan kon hij (of zij, maar dat was in mijn wereld wel een heel grote uitzondering) niet veel fout meer doen. De bijeenkomst was inspirerend, gaf energie. Als er geen chemie was, kon het daarna alleen nog maar fout gaan.

Verbaasd ben ik na al die jaren nog steeds dat geen van mijn managers ooit naar een cursus vergadertechniek is geweest. Dat kun je toch gewoon als leidinggevende? Net als zwemmen en fietsen? Dat leer je in de box. Er zijn leidinggevenden die in het verslag van een vergadering waarbij ze niet aanwezig zijn geweest, gaan zitten toevoegen, wijzigen of doorhalen. Wie niet begrijpt wat je daarmee aanricht, verdient ontslag op staande voet. De directeur van het vastgoedbedrijf in Den Haag kreeg dat ontslag ook, mede om deze reden.

Hoe anders gaat dat in de politiek! Elk beginnend raadslid, statenlid of Kamerlid krijgt een tamelijk uitgebreide briefing over de regels van het spel. Ik heb veel geleerd van mijn politieke activiteit. Als je effectief wilt zijn moet je de regels kennen. De regels zijn de sublimatie van tientallen jaren ervaring. Jammer is dat ‘de politiek’ in mijn sector in een kwaad daglicht stond.

Een burgemeester of commissaris die geen goede voorzitter is, ziet geen daglicht. Bij het verdelen van de voorzitterschappen wordt in het politieke bedrijf meestal een beetje gekeken naar de politieke kleur, maar eerst en vooral gaat het om de kwaliteiten als voorzitter (die bovendien professioneel worden ondersteund). Als we nu eens afspreken dat we het in het marktsector ook zo gaan doen? Het geeft geen resultaatgarantie, maar ongetwijfeld wel een grote resultaatverbetering. En het is vaak zo eenvoudig om het beter te doen ….

Dit is voorlopig het laatste vergaderblog.