19. jan, 2018

Transitieagenda circulaire economie

In de week van de circulariteit zijn vijf sectorplannen gepresenteerd voor het volledig circulair maken van de Nederlandse economie in het jaar 2050. Dat jaar ligt 32 jaar voorbij de actualiteit. Dit jaar ben ik 36 jaar in de bouwtoelevering bezig geweest met het onderwerp. Een onderwerp dat toen alleen nog niet zo heette. Volgens Rijkswaterstaat, die de markt momenteel afstroopt om deskundigheid op dit terrein in huis te halen, had ik volgens mijn cv onvoldoende kwalificaties op dit terrein. Dus mocht u nou van mening zijn dat dat de auteur maar wat raaskalt, prijs u dan gelukkig dat Rijkswaterstaat geheel aan uw zijde staat.

De transitieagenda bouweconomie haakt aan bij het Rijksbrede programma circulariteit, het grondstoffenakkoord en het Energieakkoord, dat stelt dat de Nederlandse economie in 2050 niet alleen volledig circulaire, maar ook vrij is van de inzet van fossiele brandstoffen. Dat zijn voorwaar geen geringe ambities!

De wereld kan veranderen

In 32 jaar kan de wereld onvoorstelbaar veranderen. Neem het tijdvak 1905-1947: twee Wereldoorlogen, enige tientallen miljoenen dodelijke slachtoffers en Europa in puin. Of het tijdvak 1950-1982: vergaande motorisatie en mechanisatie, exponentiële groei van de bevolking en de consumptie. Of het tijdvak 1985-2017: globalisering, digitalisering en democratisering. Wie dat aan het begin van het tijdvak kon voorspellen, die had een goede glazen bol. En nu willen we het gaan hebben over onze maakbare toekomst?! Er is maar een land ter wereld dat enige ervaring heeft met het denken en succesvol handelen op een dergelijke tijdschaal en dat is (communistisch) China. In de geïndustrialiseerde, democratische wereld lopen grote ambities vaak vast in de bureaucratie. De Energiewende in Duitsland is wel het meest beruchte voorbeeld. Wij denken noodzakelijke en fundamentele transities in Nederland op te lossen door het instellen van stuurgroepjes, bestaande uit zeven personen. Alsof die de doorzettingsmacht bijeen kunnen brengen om het voor elkaar te krijgen. Leg die vraag eens voor aan Ed Nijpels, voorzitter van de Borgingscommissie van het Energieakkoord. 

Internationale context

De interacties tussen Nederland en de rest van de wereld worden in de transitieagenda circulaire bouweconomie nauwelijks genoemd. Denk en handel internationaal, staat er ergens in mijn richtingwijzers. De havens van Rotterdam en Amsterdam mogen er naar streven om de overslag van kolen terug te brengen naar nul, zou dat het Europese gebruik van kolen echt verminderen? Als ik een kopje thee drink, bestaat dat voor 200 ml uit water. Dat er in India voor de thee in dat kopje 100 liter water nodig was, vermeldt de grondstoffenstatistiek niet. De uitstoot van CO2 door de Nederlandse industrie daalt flink als je de ovens van ENCI en TATA sluit. Maar zouden we helemaal geen staal, aluminium en cement meer nodig hebben? Kunnen we de invoer ervan verbieden?

Begripsbepaling

Over de definities en bepalingsmethoden is nog veel te zeggen. De industrie zal niet aarzelen om naar zich toe te rekenen. Er is in Nederland een aanzienlijk grondverzet. De aanleg van de Tweede Maasvlakte en de zandmotor voor de kust van Kijkduin betekenden, zo beschouwd, een historisch hoog verbruik aan ophoogzand. Moeten we zoiets dan maar niet doen? De agenda is heel slordig met systeemgrenzen en begrippen: op het ene moment heeft de uitstoot te maken met de bouwactiviteit, op het andere moment slaat hetzelfde getal op de uitstoot in de gebouwde omgeving. De ene keer staat er miljard kg, de andere keer miljard ton. Zoiets mag niet!   

Nut en noodzaak

Wat mij betreft bestaat er geen enkele twijfel over de noodzaak van het terugdringen van het gebruik aan fossiele brandstoffen en natuurlijke hulpbronnen. Menige oorlog is gevoerd om die bronnen veilig te stellen; water, olie en landbouwgrond. China neemt stilletjes bezit van Afrika, gelukkig zonder een druppel bloed te vergieten. De Yankees kunnen daar nog iets van leren. In de transitieagenda worden dingen veel te makkelijk op een hoop gegooid: metalen, steen en beton. Het ene product is veel schaarser dan het andere. Begin dan maar eens bij de producten die het meeste aan schaarsheid lijden. Is dat zo'n vreemd idee? Bio-based zou het panacee moeten zijn. Niemand die zich de vraag stelt hoeveel ruimtebeslag bio-based vergt en waar dat ten koste van gaat. Palmolie ten koste van tropisch regenwoud? Willen we dat echt? Substitutie van grondstoffen is altijd een keuze. Geen keuze mag worden gemaakt zonder afweging van voor- en nadelen. Circulariteit is een vat vol dilemma’s.

Circulaire vrouwen

Opmerkelijk - en misschien wel hoopgevend - is dat het vooral vrouwen zijn die de duurzaamheidskar trekken. De witte mannen maken de dienst uit in de Raden van Bestuur. Vrouwen spelen de eerste viool bij het verduurzamen van de wereld. Als het gaat om overtuigen, ben ik er niet zo zeker van dat vrouwen de feiten altijd paraat hebben. Als het gaat om motiveren en enthousiasmeren wel. Dat laatste zal de doorslag gaan geven in de nieuwe economie. Een vrouw zal minder snel aanleiding geven tot georganiseerde oppositie bij de gevestigde belangen. De gevestigde belangen zijn groot. Zolang branches nog in hun statuut hebben staan dat ze de belangen van de sector moeten verdedigen, de markt voor het product moeten stimuleren en medewerkers op afstand moeten blijven van circulaire projecten die het volume aantasten, is er nog veel weerstand te overwinnen. Dat is een perfide mechanisme. De medewerker die nieuwe markten weet te ontwikkelen wordt beloond. De medewerker die de circulariteit naar een hoger niveau brengt, bestraft of zelfs ontslagen. Dit is in strijd met elke MVO-code. In de transitieagenda wordt heel gemakkelijk gesproken over resultaten boeken en nieuwe verdien- en businessmodellen, de praktijk is toch vaak weerbarstiger.  

Kennisinfrastructuur

Vrolijk wordt gesproken over experimenteren, samenwerken en kennisdelen. Als er nu drie dingen zijn waarin de bouw vandaag niet uitblinkt, zijn het deze onderwerpen. SBRCURnet sloot begin deze maand na 65 jaar haar poorten. Dat was toch hét centrum bij uitstek voor experimenten, samenwerking en kennis delen in de Nederlandse bouw?

Blijft er in mijn ogen dan niets overeind van de transitieagenda’s?

Nee, zo is het zeker niet. Er is veel denkkracht verzameld. Ik beticht de auteurs wel van kokerdenken, onkritisch overschrijven en onvoldoende analytisch vermogen, vooral waar het de samenhang der dingen betreft. Lateraal denken dus, als noodzakelijke brug tussen lineair en circulair denken en handelen. Ik realiseer me heel goed dat samenhangen de gehele rapportage flink compliceren. Vele van die samenhangen zijn moeilijk kwantificeerbaar. Onverantwoorde simplificaties en aannames dragen echter ook niet bij aan een succesvolle uitvoering.

Wat verder ontbreekt zijn ‘lessons learned’. Zeker, er worden succesvolle projecten opgevoerd als bewijsvoering dàt het kan. Er worden echter geen lessen geleerd uit projecten die niet geslaagd zijn. Daar valt immers geen goede sier mee te behalen. Het idee dat Nederland straks wereldwijd koploper gaat zijn in circulaire economie is zeker een wenkend perspectief. Maar zolang er in die agenda’s zo weinig wordt gezegd over wat er in het buitenland gebeurt en wat wij daar misschien van kunnen leren, lijkt me die ambitie redelijk ijdel.