25. nov, 2018

Beatrice de Graaf - Tegen terreur

Professor De Graaf heeft alles wat het vak geschiedenis interessant maakt. Ze is een uitstekende docent, ze verbindt het verleden moeiteloos aan de actualiteit, is bijzonder ijverig en productief, ze houdt zich bij de feiten, schrijft vlot (doch niet foutloos!) en heeft ondanks een opvoeding bij de zwarte kousenkerk een fris televisievoorkomen.

Ze is tegenwoordig hoogleraar 'History of International Relations and Global Governance'. Toen het Engels op de universiteit nog geen voertaal was, heette ze gewoon professor terrorismebestrijding.

Het boek "Tegen terreur, hoe Europa veiliger werd na Napoleon" gaat voor 80% van de bladzijden over het tijdvak 1815-1818. In 1830 houdt het wel zo'n beetje op. Dat is niet het tijdvak waarin ze is gespecialiseerd. Ze moest zich dus veel opnieuw inlezen. Het is een kloek boek geworden van meer dan 500 bladzijden. Als hardcover kostte het boek nog geen dertig euro. Hoe kan dat? Om te beginnen denk ik dat ze het boek heeft geschreven in de tijd van de baas. Schrijversloon is dus niet inbegrepen.Verder valt me op dat de redactie matig is. Waarschijnlijk is daarop bezuinigd. Opvallend is het, storend niet. Het enige dat mij stoorde was de terugkerende, professorale uitdrukking 'zoals wij aanstonds zullen zien...'

Ze is op pad gegaan met de onderzoeksvragen 'wanneer nam het Europese veiligheidsbeleid een aanvang en hoe zag dat er uit?' De stelling kan worden verdedigd dat dit beleid begon met de val van Napoleon. Als iemand mij had gezegd dat het Europese veiligheidsbeleid met het Vrede van Munster (1648) begon, had ik het ook geloofd.

De Graaf maakt onderscheid tussen drie vormen van terreur. Er is als eerste georganiseerde staatsterreur of terreur tegen de staat. De Franse revolutie is daar een voorbeeld van. Als tweede noemt ze de ongeorganiseerde terreur. De boze eenling met een pistool. Tot slot waren er struik- en zeerovers die de wereld onveilig maakten. Over de verwarde eenlingen maakte men zich in die tijd niet zo heel druk. Zeerovers konden het economisch belang van een land schaden en dat was een van de redenen waarom Frankrijk in 1830 bezit nam van Algerije. Wist ik niet. De Franse revolutie baarde de Europese staats- en regeringsleiders van toen veel zorgen. Na de val van Napoleon was die geest nog steeds uit de fles. Er waren bloedige veldtochten en -slagen geweest, die het inwoneraantal van een land deden dalen. Miljoenen mannen sneuvelden in de kracht van hun leven. Dat kan je als een land niet hebben. Het corrigerend vermogen van de democratie bestond nog niet. Wel kon het volk in opstand komen. Dat was minstens zo gevaarlijk!

De Graaf beschrijft hoe door middel van internationale conferenties het gevaar van terrorisme kon worden bezworen. Het na-oorlogse leiderschap van Wellington speelde daarin een grote rol, evenals het kapitaal dat het VK had vergaard door haar koloniën en de opkomende industrialisering. Het revanchisme en militarisme van de Pruissen moest worden getemd. De Russische tsaar speelde op de achtergrond eveneens een belangrijke rol. Engeland, Oostenrijk, Pruissen en Russen maakten de dienst in Europa uit. Pas daarna kwamen Spanje, Portugal, Italië, Zweden en de kleinere landen. Enige overeenkomst met het Europa van het heden zal de lezer niet vreemd zijn. De opkomende VS werden buiten de samenwerking gehouden. De Engelsen en Fransen waren nog niet over 1776 heen. Pas honderd jaar na Napoleon mochten de VS actief voor hun belang in Europa opkomen.

Wat ik eveneens niet wist was dat de Fransen in 1815 gedwongen werden tot het doen van herstelbetalingen aan de grote overwinnaars. Dat fenomeen kennen we nog uit de Eerste Wereldoorlog. Wellington had al snel in de gaten dat deze maatregel kwaad bloed zette bij de bevolking en wilde haar matigen. Zonder twijfel zal hebben meegespeeld dat er aanslagen op zijn persoon werden gespeeld als hij in Parijs op inspectie was. Na drie jaar waren de Fransen er vanaf en trok de bezetttingsmacht zich terug. De macht van koningen en keizers van in die dagen nog heel persoonlijk. Zij beschikten over het (nood)lot van het volk. Minister-presidenten deden alleen mee in Engeland, de bakermat van de moderne democratie. Omdat Napoleon in gans Europa had huisgehouden, had hij overal vijanden. Een gemeenschappelijke vijand maakt samenwerken niet alleen nodig, maar ook makkelijk. Tot dat waren er wel grote conflicten in Europa geweest, maar die betroffen eerder twee, drie of vier staten.

Dankzij de bezwerende krachten van twee mannen met een schier onmetelijk gezag, met name Metternich en Wellington, kon Europa een periode van dertig jaar vrede tegemoet zien. Nationalisme en patriotisme werden getemd. Na een generatie begon het volk zich toch weer te roeren en braken er all over the place nieuwe revoluties uit.

Voor wie de geschiedenis van het moderne Verenigde Europa een beetje kent is dit boek een feest der herkenning. Waarom leren we eigenlijk maar zo weinig van ons verleden?