22. jan, 2021

Bouwen met hout? Dat is niet duurzaam zegt de norm ...

 

NRC Handelsblad haakte donderdag 21 januari 2021 in op een discussie die in alle hevigheid in de (sociale) media heerst. Is bouwen met hout zo duurzaam als de sector stelt? En benadeelt de norm het gebruik van hout? De discussie heeft menigmaal het karakter van moddergooien op Olympisch niveau.

 

Iedereen die de moeite neemt om even naar mijn track record op LinkedIn te kijken, kan weten dat ik het grootste deel van mijn werkzame leven belangenbehartiger voor de (Nederlandse en Europese) cement- en betonindustrie was. Mijn hart zal dus wel in het beton liggen. Maar daar wil ik het hier niet over hebben.

Ik kan een steen in de vijver gooien door te stellen dat de houtsector zich een hoog Calimerogehalte aanmeet. Of te wijzen op de betonsector die arrogantie en inertie tentoonspreidt. Dat is olie op het vuur en bovendien oninteressant.

Links en rechts wordt er van alles geroepen. Slechts weinigen weten hoe het echt zit. Ik ben vanaf 2004 een aantal jaren lid en zelfs voorzitter geweest van Nederlandse en Europese normcommissies die zich met het milieugebonden milieuprofiel van gebouwen bezig hebben gehouden. Ik ben dus ooggetuige. Maar zelfs daarover zult u mij niets spannends zien vertellen.

Wat opvalt in de diverse bijdragen is dat de scribenten het verschil in verantwoordelijkheden bij een bepalingsmethode, een norm en een grenswaarde niet lijken te kennen. En geen idee hebben hoe de besluitvorming in de (inter)nationale arena over dit soort onderwerpen geschiedt. Over de toepasselijke procedures is echt heel goed nagedacht. En niet sinds vandaag of gisteren.

Een bepalingsmethode is in de regel het hart van een norm. De methode komt voornamelijk tot stand op basis van wetenschappelijke consensus. Als belangenbehartiger kan je op je kop gaan staan, als je niets beters hebt, zal je het er mee moeten doen. In een norm zitten nog allerlei andere teksten, zoals definities, toepassing en geldigheidsbereik. Over een Europese norm wordt gestemd door de nationale normcommissies. Europese brancheorganisaties hebben de status van waarnemer. Ze mogen wel iets zeggen, maar niet stemmen. Dat is anders bij nationale normcommissies. Daar kunnen belanghebbenden een stoeltje, met stemrecht, kopen. Je koopt precies een stem. Daarmee bepaal je nooit de uitkomst van de stemming. Dit is maar een klein deel van de kosten. De tijdsbesteding in uren is de echte investering. Je moet toevallig maar werken bij een branche die iets ziet in het werk van de betreffende normcie. De staal- en betonindustrie heb ik nimmer kunnen betrappen op een meer dan gemiddelde belangstelling. De Europese koepels van de staal- en betonindustrie bestaan uit een man en een halve paardenkop, die onmogelijk alle vergaderingen van Europese normcommissie kunnen afreizen, zelfs niet als die in Brussel worden gehouden.

De overheid houdt zich verre van normalisatiewerk. Dat laat zij met liefde aan de markt over. Ingrijpen in het resultaat van normalisatiewerkzaamheden doet de overheid niet. Kan ze ook niet. Het zou de bijl aan de wortel van het normalisatiewerk zijn. Sowieso heeft de rijksoverheid nauwelijks capaciteit meer voor en kennis van het normalisatiegebeuren.

Nadat de bepalingsmethode en de norm zijn vastgesteld, komt de overheid aan bod. Die heeft namelijk de bevoegdheid om een wettelijke grenswaarde aan de prestatie-eis te stellen. En aan te scherpen als dat zij dat nodig acht. Daar gaat de normcommissie weer niet over. 

Ga niet aan mij vragen wat ik van het al dan niet benadelen van hout in de norm vind. Ik daar een mening over, maar die is irrelevant. Maar als u aan mij vraagt, wat de debatterende partijen als eerste moeten doen, dan heb ik wel een helder antwoord: verdiep u eerst in de spelregels voordat u aan het spel gaat meedoen. Doet u dat niet, dan bent u bezig met een partijtje vrij worstelen. Dat eindigt met bloedvergieten. Daar is niemand bij gebaat.